Verplaatsingen

De eerste binnenlandse en intra-continentale verplaatsingen van metissen werden reeds aan het einde van de 19e eeuw georganiseerd. In toenemende mate werden metissenkinderen die door hun witte ouder in de steek waren gelaten naar instellingen gestuurd die soms duizenden kilometers van hun geboorteplaats en familie verwijderd waren.

 

Ook verplaatsingen uit Afrika kwamen sinds het begin van de 20e eeuw voor, zij het eerder sporadisch. Het is vooral aan de vooravond van de Congolese, Rwandese en Burundese onafhankelijkheid dat een groot aantal metissen naar België en het Globale Noorden werd overgebracht, waar zij in instellingen of bij pleeg- en adoptiefamilies terechtkwamen.

HP.1979.44.1-105_PHOTO_01_SCAN_RECTO.jpg

"Aan boord van de SS Brabant", 1899, HP.1979.44.1-105, collectie AfricaMuseum, L. Vedy/V. Vanderslyen.

Op deze foto uit 1899 worden vier metissenkinderen, twee jongens en twee meisjes, omringd door geüniformeerde officieren aan boord van het schip SS Brabant. Zijn de volwassenen en kinderen verbonden door familiebanden? Gaan de kinderen met hun vader mee? Zijn ze gescheiden van hun moeder? Waar werden ze heengebracht?

 

Hoewel deze foto veel vragen oproept, toont deze aan dat verplaatsingen van metissenkinderen reeds binnen het immense grondgebied van Congo-Vrijstaat plaatsvonden en dus een lange geschiedenis kennen.

«

Als hij in dit dorp blijft, dan zal de kleine slechts een ongelukkige verschoppeling zijn, die in de marge van de samenleving leeft, incapabel om zijn situatie te verbeteren » 

(Origineel Frans citaat) Brief van het parket van Niangara aan de gerechtelijke directie van Boma, 1908, FOD Buitenlandse Zaken, GG, individueel dossier. 

Institut de Save 1983 - vue depuis l'ex-entrée principale en direction de l'Eglise de Save

De missie van Save werd in 1900 gesticht in de buurt van Astrida, het huidige Huye, in Rwanda. Een tiental jaar later werden de Witte Paters vervoegd door de zustercongregatie "Onze Lieve Vrouw van Afrika", beter bekend als de "Witte Zusters". 

De missie van Save ontving sinds haar ontstaan verweesde of "verlaten" verklaarde Afrikaanse kinderen, waaronder enkele kinderen van gemengde afkomst. In de loop van de jaren 1920 kreeg de missie van de koloniale overheid de opdracht om metissen uit het mandaatgebied Ruanda-Urundi en uit het Congolese district Zuid-Kivu op te vangen.

 

Het "instituut voor mulatten" werd gecreëerd, waar de metissen werden gescheiden van de andere kinderen. Onder leiding van overste Zuster Lutgardis groeide de missie van Save uit tot één van de belangrijke plaatsen waar de segregatie van metissenkinderen in Ruanda-Urundi vorm kreeg. Op het einde van de jaren 1950 was Zuster Lutgardis tevens één van de sleutelfiguren in de organisatie van transnationale verplaatsingen van metissenkinderen naar België. Dankzij onder meer het werk van historica Sarah Heynssens, is Save vandaag één van de best gedocumenteerde en onderzochte instellingen.

Foto van de gebouwen van een van de instellingen die metiskinderen opnamen tijdens de koloniale periode, waarschijnlijk in Rwanda (instelling nog niet met zekerheid geïdentificeerd). Cegesoma, fonds Gilbert Lambert, 0000510420L.

Op het grondgebied van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi bevonden zich verschillende katholieke en protestantse missies en instellingen die als "verlaten" verklaarde metissenkinderen opvingen.

 

Zo kregen koloniale agenten de opdracht om meisjes van gemengde afkomst uit de provincies Neder-Kongo, Kasai en de Oostprovincie naar de Colonie Scolaire van Moanda te sturen.

 

Op deze foto, gedateerd 21 januari 1925, tonen enkele meisjes van gemengde afkomst een vlag waarin de naam van de schoolkolonie werd geweven.

 

Het projectteam zoekt actief naar bronnen die het mogelijk maken om instellingen die metissenkinderen hebben opgenomen, soms al sinds het begin van de Belgische koloniale aanwezigheid in Centraal-Afrika, beter te documenteren.

HP.1954.56.1-74_PHOTO_01_SCAN_RECTO.jpg

Foto van meisjes die een geweven vlag van de Colonie Scolaire Moanda tonen, 1925, HP.1954.56.1-74, collectie AfricaMuseum.

«

De instructies [...] van de gouverneur-generaal schrijven voor om een kind dat naar de schoolkolonies van Boma en Moanda wordt gestuurd, niet te laten vergezellen door een zwarte vrouw, en dat de koloniale agent die naar Boma meegaat de zorg over hen op zich neemt tijdens hun afreis.» 

Brief van gewestbeheerder aan de gerechtsdirecteur van Boma, Leopoldstad (Kinshasa), 1918, FOD Buitenlandse Zaken, GG, individueel dossier.

declaration_de_refus-V2.png

Verklaring van weigering, Gitarama, 1959, VCA, individueel dossier.

Voor de onderzoekers is de "stem" van de biologische moeder het moeilijkst te traceren. In de meeste documenten voelen we haar aanwezigheid slechts via een duimafdruk, maar komt ze zelden zelf aan het woord.

 

Het blijft voor de onderzoekers dan ook grotendeels onduidelijk in welke mate deze vrouwen in staat waren om geïnformeerde toestemming én weigering te geven.

 

Deze "déclaration de refus" vormt een zeldzaam bewijsstuk van een vrouw die het vertrek van haar kind actief en expliciet heeft geweigerd. In een ander stuk uit het dossier waar dit document werd aangetroffen, komen we echter te weten dat ze niet veel later toch het kind heeft laten vertrekken. Voor de onderzoekers opent dit nieuwe vragen over de directe en indirecte dwang waar biologische moeders aan werden blootgesteld, en over de limieten van hun verzetsmogelijkheden. Tegelijkertijd moeten onderzoekers zich ervan weerhouden om de levensverhalen van deze vrouwen te gaan invullen op basis van een aantal karige momentopnames. Zouden deze vrouwen zich namelijk wel in deze verhalen herkennen?

18bis_Billet_avion_biffé_HR-V2.png

Reisbiljet Sabena van een metissenkind, 1961, ARA2, APPM, individueel dossier.

APPM_4640020_1-V2.png
APPM_4640019_1-V2.png

Envelop met brief van een moeder aan haar kind, gericht aan de Association pour la Promotion des Mulâtres, 1981, APPM, individueel dossier.

Toch botsen de onderzoekers ook op andere verzetsuitingen van de Afrikaanse moeders, in de vorm van brieven waarin ze het contact met hun kind trachten te hernemen. Deze brieven dateren soms van tientallen jaren na het vertrek van hun kind. Soms vinden we deze brieven ongeopend in het archief van de plaatsingsorganisatie terug, wat erop wijst dat deze brieven wellicht niet bij de geadresseerde zijn toegekomen.

 

Volgens de toen heersende opvattingen over (transraciale) plaatsingen van kinderen zou contact met de biologische moeders het aanpassingsproces, waarbij de metis zijn Afrikaanse identiteit permanent achter zich moest laten en met een schone lei aan zijn nieuwe leven in België moest beginnen, kunnen verstoren. De onderzoekers laten dergelijke brieven in hun ongeopende staat, zodat de inhoud kan toekomen aan hun rechtmatige eigenaar of aan hun nakomelingen.

De intra- en internationale trajecten die metissen gedurende de koloniale periode afleggen, zijn allesbehalve uniform. Naast de metissen van Save, belandden ook heel wat metissen via andere omwegen in ons land, waarbij ze in meerdere instellingen verbleven en heel wat landsgrenzen doorkruisten. Voor sommigen onder hen was België zelfs niet de eindhalte van hun parcours, maar werden ze van hieruit nogmaals naar een ander land verplaatst.

 

Deze interactieve kaart verbeeldt een fictief traject, maar is gebaseerd op reële verplaatsingen en illustreert een dergelijk "atypisch" parcours. 

20+21-V2.png

Cover van het tijdschrift De Vreugdezaaier/Le Semeur de Joie, 1977

Eens in België aangekomen, trachtten de meeste bemiddelaars de metissen idealiter in pleeg- of adoptiegezinnen te plaatsen.

Deze organisaties hadden een caritatief en/of religieus profiel en genoten in de praktijk een grote vrijheid om de onthaalgezinnen te selecteren en de plaatsingen volgens de eigen denkbeelden te organiseren.

 

Pater René 'Eugeen' Delooz (1917-1983) plaatste tussen 1959 en 1961 als aalmoezenier van het Ruandafonds een honderdtal kinderen en jongeren bij voornamelijk Vlaamse families. Ook tijdens de decennia nadien bleef pater Delooz betrokken bij verschillende transnationale verplaatsingen van kinderen.

 

Delooz zag zijn werk namelijk als het "bouwen van bruggen tussen rassen en volkeren" en presenteerde zich als een vaderfiguur voor de "verlaten kinderen overal ter wereld". Hij was de stichter van de organisatie De Vreugdezaaiers/Les Semeurs de Joie, die vanaf 1961 tijdelijke vakanties voor Noord-Afrikaanse kinderen uit de verarmde Parijse agglomeratie organiseerde en zich vanaf 1970 inliet met de adopties van Indiase kinderen.

 

De verplaatsingen van de metissen vormen dus niet enkel een prelude op de geschiedenis van interlandelijke adoptie in ons land, maar tonen ook hoe verschillende initiatieven van transnationale verplaatsingen van kinderen met elkaar verweven zijn.